Dok van Perry Vlissingen

Dok van Perry kl

Halverwege de 17e Eeuw lag aan de Dokke (later Marine Dok, nu Dokhaven geheten) in Vlissingen de scheepswerf van de Admiraliteit Zeeland. De Admiraliteit had behoefte aan een droogdok om ook de reparaties aan hun oorlogsvloot onder de waterlijn te kunnen uitvoeren. In 1675 werd het besluit genomen door “de Heeren Raden ter Admiraliteit Zeeland” om een droogdok te bouwen op het Etablissement van de Marine in Vlissingen. In de Lage landen was toen nog onvoldoende expertise aanwezig om een dergelijk droogdok te bouwen. Daarom kreeg de Engelse maritiem bouwkundige, captain John Perry in 1697 de opdracht om een droogdok te ontwerpen aan de Dokke in Vlissingen. Als gevolg van de Spaanse Successieoorlog hebben de Staten-Generaal pas in 1704 toestemming verleend aan de Staten van Zeeland om de bouw van een droogdok te financieren. Het droogdok moest schepen van 55 meter kunnen behandelen. In het Ganzegat, de verbinding tussen de Dokke en de Pottekaaihaven was voldoende diepgang om een dok te bouwen.

In 1705 werd het eerste schip drooggezet. Het dok kon op een natuurlijke wijze vol water worden gezet en ook weer gedeeltelijk leeggemaakt worden door gebruik van het tijverschil in de Westerschelde. Het laatste water werd met behulp van een door paarden gedreven tredmolen gekoppeld aan een pomp, weggepompt. Het dok was in die tijd voorzien van houten schotdeuren.

In 1740 werd het dok grondig gerestaureerd. In 1744 bleek dat de houten palen waren aangetast door de houtworm en werd besloten het dok buiten gebruik te stellen. In 1834 kreeg hoofdingenieur A.E. Tromp van het Departement van Marine de opdracht om een herstelplan te maken voor het Dok van Perry. In 1836 werd begonnen met dat herstel en werd de dokvloer verlengd tot 69 meter en de houten schotdeuren werden vervangen door een houten “bateauporte”. De tredmolen werd vervangen door een stoommachine. In die tijd werd vaak gesproken van het Dok van Tromp in plaats van het Dok van Perry.

In de loop van 1868 werd het Marine Etablissement Vlissingen opgeheven en het dok gesloten. Toen in 1875 de scheepswerf de Koninklijke Maatschappij de Schelde werd opgericht en zich vestigde op het voormalige Etablissementsterrein, nam die werf het dok weer in gebruik onder de naam “het kleine dokje”. Zo werd in 1904 de eerste Nederlandse Onderzeeboot (de Luctor et Emergo) in het Dok van Perry afgebouwd.

In 1931 werd het dok wederom gerenoveerd en de houten schipdeur vervangen door een stalen schipdeur. Het dok is een aantal malen verlengd; voor het laatst in 1936 tot 66 meter. Eind zestiger jaren van de vorige eeuw werd voor de laatste keer een schip gedokt en in 1974 werd het dok volgestort met zand en werd er een loods boven gebouwd.

In 2003 verwierf de Gemeente Vlissingen het werfterrein van de Schelde en maakte plannen om het Dok van Perry te restaureren en weer werkzaam op te leveren. Na haalbaarheidsstudies in 2006 en in 2008 werd in 2011 begonnen met de restauratie van zowel de schipdeur als het dok. Midden 2013 werd de restauratie afgerond en op 25 augustus 2013 werd het Dok van Perry door Prof. Mr. Pieter van Vollenhoven officieel in gebruik gesteld. De restauratie van het dok is mogelijk gemaakt met behulp van subsidie van de Europese Unie, de Gemeente Vlissingen en bijdragen van de Vlissingse bevolking en bedrijfsleven.

Aanvankelijk was de doelstelling van de Gemeente Vlissingen om het dok weer beschikbaar te stellen voor het dokken van schepen en tegelijkertijd het museale karakter van het Dok van Perry aan het publiek te tonen. Uiteindelijk is afgezien van het dokken van schepen en de werkzaamheden die daarmee gepaard gaan. De museale functie blijft wel beoogd en de inrichting van het dok met een museumschip, met name het museumschip Mercuur, zou dan ook een perfecte keuze zijn, passend bij de doelstelling van de Gemeente Vlissingen en passend bij de voormalige en toekomstige marinestad.